PAUL D’ HAESE

 

Het eerste contact met de foto’s  van Paul D’ Haese (1958) is  bevreemdend en fascinerend : ondanks hun uitnodigend karakter hebben ze iets ondoorgrondelijks. Met hun open ruimtes, hun schitterend licht, hun rustgevende  stilte, zijn deze foto’s inderdaad een uitnodiging. We kunnen hun schoonheid niet loochenen. Het kader lijkt verlaten, we krijgen de indruk daar in alle rust te kunnen wandelen, of misschien wandelden wij daar ooit reeds, in gedachten. De bevreemding die we ervaren, lijkt vertrouwd – Unheimlich zou Freud het genoemd hebben, maar de ervaring verloopt rimpelloos glad, zonder angst, zonder buitensporige onrust. Toch houden ze ons op afstand en lijken ze wel degelijk veraf en ontoegankelijk : de talloze muren of ruïnes, de trompe-l’oeils en doodlopende stegen, de afgebroken perspectieven, de onderbroken vluchtwegen bieden geen concreet oriëntatiepunt, geen houvast aan de dwalende blik.

Bevinden we ons in een hyperrealistische droom , een hallucinatie ? Er bestaan blinde beelden, zoals er blinde gezichten en blinde gevels bestaan. En allen hebben te maken, te ‘zien’ met elkaar.  In de foto’s van Paul D’ Haese zien we tezelfdertijd  het innerlijke en de pure schijn van de dingen. Ontoegankelijke, raadselachtige interieurs alterneren met klassieke landschappen , waarin de aandacht voor het detail, voor de duidelijkheid, de nuance, tot in het uiterste doorgevoerd werd. Ondanks de conventionele kenmerken is dit  werk eveneens een plastische constructie,  en méér nog misschien een mentale constructie. Dit oeuvre nodigt ons niet alleen uit tot contemplatie en meditatie maar ook tot een vraagstelling :  wat hebben wij geleerd van de moderniteit ?   Met het fototoestel als mechanische tussenschakel , doemen vragen op over het verband tussen de menselijke waarneming en de complexiteit van de zichtbare wereld.

Zijn eerste serie ‘Dagblind’ resulteerde in een publicatie bij Yellow Now in het voorjaar van 2010. De reeks was zo kort en coherent, zo gebald,  dat het bijna onmogelijk leek er een gevolg bij te bedenken … De claustrofobische wereld opende zich beetje bij beetje, de benadering van het landschap werd meer ontspannen,  gastvrijer, hedonistischer. Ook al blijven vreemde details rondhangen in sommige hoeken, toch durven humor en subtiele zelfspot wat meer op de voorgrond treden.  De hoekstenen van deze visies van Paul D’ Haese zijn de poëzie en het absurde die fungeren als twee glazen van eenzelfde bril.

Veel meer dan ons reële elementen te tonen, nodigt de fotografie van Paul D’ Haese ons uit om na te denken over wat het eigenlijk wil zeggen, kijken. Het is een rustige uitnodiging maar geen passieve ! Een aansporing tot een kritisch, dynamisch denken. Anderen stelden deze vraag voor hem : Eugène Atget, Walker Evans, Ralph Eugene Meatyard ( wellicht niet toevallig een opticien!). Maar Paul D’ Haese stelt de vraag actueler, met meer precisie, met meer zin voor detail. Ogenschijnlijk neutraler. Men voelt hier duidelijk zijn opleiding als architect en dat heeft hij met Evans gemeen. Zijn hang naar plaatsen die ooit door de mens ingenomen maar dan verlaten werden, vinden we terug bij Atget. Zijn interesse voor dubbele bodems en verbeeldingskracht in de fotografie deelt hij met Meatyard en tal van anderen.

Laat ons niet op zoek gaan naar symbolen of allegorieën : de fotografie die Paul D’ Haese ‘beoogt’, is resoluut letterlijk en niet literair. En ze weet dat deze letterlijkheid haar rijkdom en haar grens is.  Het is de constante verkenning van deze grenzen die haar voortstuwt, in alle vrijheid  doch met methode. – Emmanuel d’ Autreppe